Theo van den Akker

Theo van den Akker, een zelfredzame man die het patent heeft op levenskunst (en zelfs meer)

Interview door Judy Lohman 

Zijn wieg stond in 1946 in Zaandam en in het gesprek valt talloze keren de naam van deze stad, met liefde. Maar toch woont hij ondertussen alweer jaren in Harlingen, ook met liefde. Hoe een echte Zaankanter verzeild raakt in het Friese havenstadje, daar was ik natuurlijk benieuwd naar. Zijn verhaal geeft niet alleen een mooi tijdsbeeld, maar maakt ook duidelijk wat hem gevormd heeft. Want Theo is wel ‘one of a kind’.

Daar waar eten is

Eerst gaan we terug in de tijd. Theo werd net na de oorlog geboren, een tijd van bittere armoede. Aan alles was tekort, zeker ook aan voedsel. Theo’s vader en zijn oudste broer struinden met een handkar Noord-Holland af, langs boeren op zoek naar iets eetbaars, wat dan ook. Theo maakte deel uit van een groot katholiek gezin. Zeven kinderen, met Theo als hekkensluiter. Waren ze blij met je? Hij schudt zijn hoofd en onthult iets wat mij van mijn sokken blaast. Kort na zijn geboorte werd hij uit huis geplaatst, niet bij familie, maar bij wildvreemden. Het was ook niet voor eventjes, maar voor vier jaar. Vier jaar! Eerst bij de familie Oostrum, in Zaandam, een katholiek gezin waar ‘wel voedsel was’. Na een kleine twee jaar werd hij ondergebracht bij een ander katholiek gezin, de familie Onrust in Oostzaan, een agrarische streek met volop voedsel. Theo vult een stukje geschiedenis in. Het was in die tijd gebruikelijk, vooral in de jaren na de oorlog, dat kinderen tijdelijk ergens anders ondergebracht werden totdat het gezin weer op zijn hoeven stond. Theo’s moeder was ziekelijk en kon daardoor de zorg voor haar kinderen niet op zich nemen. Toen hij vier jaar was keerde hij terug naar zijn ouders. Een aantal broers en een zus waren ondertussen het huis uit, naar een klooster, naar de marine en zijn zuster naar Harlingen (hoe toevallig). Theo werd echter niet onthaald als de verloren zoon. Zijn terugkeer ging geruisloos, hij schoof letterlijk aan. Zijn eerste herinnering aan het ouderlijk gezin is dan ook een grote gedekte tafel met eten. Al snel had hij door dat hij in het midden van de tafel moest zien te komen, daar waar de pan stond. De bouwstenen voor zijn latere zelfredzaamheid werden tijdens de beginjaren van zijn kindertijd gelegd.

Spijbelen? Ik was er gewoon even niet

Theo zegt zelf dat zijn jeugd, zijn lagereschooltijd, niet standaard was. Hij heeft geluk gehad met zijn ‘meester’, die doorhad dat Theo een bijzondere jongen was en niet aan de hand genomen hoefde te worden. Dat deed hij zelf wel. Zo knutselde hij op achtjarige leeftijd zelf een radio in elkaar, gefascineerd als hij was door techniek. Het was natuurlijk de tijd van de wederopbouw, dus overal waren heimachines, draglines en andere machines aan het werk. Theo als jonge knul erop af. Of hij erop mocht en of ze hem konden uitleggen hoe zo’n machine werkte? Met zijn blonde haren en hemelsblauwe ogen was dat altijd bingo. Dat hij niet altijd tijd had voor de lagere school en er regelmatig gewoon even niet was, kon natuurlijk niet onbestraft blijven. Als ‘straf’ had zijn meester bedacht dat hij dan maar na elk uitstapje een spreekbeurt moest houden over wat hij deze keer weer geleerd had. Zo werd Theo een zelfbenoemde Montessori-leerling. Zijn vader, die politieman was, hielp mee bij het vervullen van zijn onverzadigbare nieuwsgierigheid. Wilde Theo weten hoe een reep werd gemaakt? Dan nam hij zijn zoontje mee naar de Verkadefabriek. Er was thuis ook veel ruimte voor creativiteit. Regelmatig werden er door de oudere kinderen op zaterdagavond toneel- en muziekvoorstellingen gegeven, letterlijk tussen de schuifdeuren. Zo vormde zijn lagereschooltijd de basis voor Theo’s nog steeds aanwezige nieuwsgierigheid en voor zijn latere creativiteit.

Wat wil je worden?

Zijn vader gaf hem na de lagere school drie mogelijkheden op de toenmalige Ambachtsschool: schilder, timmerman of bankwerker? Ik had al vermoed dat Theo voor timmerman koos, maar toch stopte hij na twee jaar en ging hij naar de Handelsschool. Op zijn vijftiende, we spreken nu over 1961, kon hij een leuke baan bij een drukkerij krijgen. Daar maakte hij zich geliefd bij de directie (minder bij het personeel), want hij bedacht dat je van drie machines, die door drie man werden bediend, er gemakkelijk één van kon maken. Daarna mocht hij als beloning op het kantoor komen werken maar dat was niet zijn passie en ging solliciteren. Zo kwam hij op zijn zeventiende op het laboratorium van Bruynzeel terecht. Hier moest ik even een mentale sprong maken. Laboratorium? Theo wijst naar een vitrinekast waarin een microscoop staat. Hij deed chemisch onderzoek naar verfpigmenten en was ook belast met het beoordelen van hout. Ja, hij heeft ook ladingen teruggestuurd…Maar had hij daar dan een geschikte achtergrond voor? Hier komt de Montessori-leerling weer om de hoek kijken. Die kennis had hij zich al snel eigen gemaakt onder andere via TNO, de Nederlandse Hout Academie. Als jongeman moest hij niet alleen verfmonsters voor de deuren maar ook de kwaliteit van hout beoordelen en ja, hij heeft ook ladingen teruggestuurd. Bij Bruynzeel kreeg hij, of zorgde daar in ieder geval weer voor, veel vrijheid.

De sprong in het diepe

Bij Bruynzeel ontstond een uitstekende band met de directeur Personeelszaken, Lambert Koops, die ook in de gemeenteraad zat. ‘Theo, kom je even praten?’ vroeg deze regelmatig en dan ging het lampje boven zijn deur weer op rood. Want Lambert had gevoel voor kunst en dat kwam goed uit, aangezien dat steeds meer het metier van Theo werd. Uren en uren werden gevuld met het vormgeven van een droom. Er zou een creativiteitscentrum moeten komen in, hoe kan het ook anders, Zaandam. Eerst nog onder de naam ‘Komma’, later omgedoopt tot ‘Fluxus’, met dezelfde Lambert Koops als directeur. We zijn aangeland in het jaar 1974.

Ondertussen was Theo getrouwd en de trotste vader van twee zonen en een dochter. Het ging bij Theo steeds meer kriebelen, aangestoken door het enthousiasme van Lambert. Hij wilde wel een eigen atelier en had zijn oog laten vallen op een leegstaand gebouw. Had hij dan een sleutel vroeg Lambert. Nee, maar wel een koevoet. Theo ging met zijn tijd mee en werd een kraker. Hij nam afscheid van Bruynzeel, hoewel het bedrijf nog geregeld een beroep op hem bleef doen en werd zelfstandig graficus nadat hij in deeltijd de grafische MTS en HTS had afgerond. In die tijd verslond hij halve bibliotheken, op zoek naar kennis over druktechnieken, over persen, over inkten. Een pers kopen? Ook die maakte hij zelf, net zoals hij nu in Harlingen zijn eigen pers weer ‘aangepast’ heeft, want, zoals Theo het omschrijft: ‘het moet altijd anders’, lees beter.

Vestigen van naam

Er was begin jaren zeventig, zo vertelt Theo eerlijk, totaal geen vraag naar zijn grafische werk maar ‘ik maakte het toch’. Hij kreeg van het laboratorium van Bruynzeel nog steeds klusjes en ook enkele commerciële drukopdrachten. Om te overleven heeft hij een aantal jaren gebruik gemaakt van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR). Door deze regeling, die gold van 1956 tot 1987, konden kunstenaars in ruil voor diensten of kunstwerken een inkomen krijgen. De afschaffing leidde tot zware protesten waar Theo uiteraard ook aan heeft meegedaan. Tot zijn schik kwam hij vele jaren later nog een Ziltlid tegen, die net als hij had deelgenomen aan de bezetting van het ministerie van Sociale Zaken. Ondertussen werkte Theo verder als kunstenaar en daarnaast zestien jaar als docent grafische technieken bij Komma, later Fluxus. Hij belandde aan de andere kant van de BKR en werd lid voor deze regeling voor Zaanstreek/Waterland, later voor de gemeente Zaandam. Ook werd hij actief in de Beroepsvereniging voor Beeldende Kunsten (BBK) Amsterdam. De BBK was op 15 mei 1945 (!) opgericht om de belangen van professionele beeldende kunstenaars te verdedigen en tevens het gemeentelijk kunstbezit te vergroten. Doordat de focus van Theo zich helemaal op de kunst richtte kwam er een einde aan zijn eerste huwelijk. Het zou uiteindelijk nog 25 jaar duren voordat hij Maryanne van Langen ontmoette. Intussen vestigde hij steeds meer zijn naam. Zo kreeg hij in 1979 de Cultuurprijs van de gemeente Zaandam samen met enkele andere kunstenaars. 

Van eigen drukkerij naar Ouwelfabriek Primus Oostzaan

Hoewel op zijn 28ste dacht voorgoed afscheid te hebben genomen van het bedrijfsleven kwam hij hier later toch op terug. Eerst met een eigen drukkerij, maar ‘dat verveelde mij eigenlijk al gauw’. Een houding die ik vaker tegenkom bij Theo. Hij werd benaderd door de Ouwelfabriek Primus. Voor de katholieken onder ons is het woord ouwel geen onbekend begrip, maar een ouwel wordt ook wel eetpapier genoemd; het is een dun, wit, ongedesemd baksel van rijst- of aardappelzetmeel. Theo heeft een hoog Pippi Langkousgehalte, in de zin van: ‘Ik heb dit nog nooit eerder gedaan, dus ik denk wel dat ik dat kan.’ Toen hem dan ook werd gevraagd of hij hiervoor een inkt kon ontwikkelen die eetbaar is verkocht hij zijn drukkerij en ging aan de slag bij Primus waar hij weer alle vrijheid kreeg om zijn uitvinding te doen slagen. En dat lukte! Weer was hij volop in het lab bezig en er rolden zelfs patenten van zijn hand. Een voorbeeld? Voor Frico Domo in Drongrijp ontwikkelde hij een eetbaar etiket van zee-algen met Arabische gom, een product dat nog steeds wordt gebruikt. Een patent dat hij in maart 1994 kreeg van het Europees Octrooi Bureau. Eén van de drie patenten overigens. Primus groeide ondertussen (ook internationaal) door en Theo klom op tot adjunct-directeur bij het bedrijf waar hij in totaal twaalf jaar heeft gewerkt. Maar ook nu verminderde zijn belangstelling in de loop van de jaren. Zijn historische uitspraak aan de boekhouder op vrijdag: ‘Ik weet niet of ik er maandag nog ben’, bracht hij in de praktijk en hij kwam niet meer opdagen. Hij ging overigens in goede harmonie weg bij het bedrijf dat begrip had voor zijn besluit.

Van vrije tijd naar vrije kunst

Theo woonde in die tijd in Zaandam bij de Wilhelminasluis in het vroegere accijnshuisje tussen de grote en kleine sluis in. Een unieke plek die zijn voorliefde voor water verraadde. Hij nam zich voor hier volop van te gaan genieten en 1,5 jaar niets te doen, maar binnen drie weken ging hij weer aan de slag, ditmaal bij een groothandel van grafische machines, Prestotype. Of hij de bouwbegeleiding van een nieuw pand wilde doen? Als tweede man bij het bedrijf maar dan voor drie dagen per week? Dat ging enkele jaren goed, totdat de eigenaar hem vroeg of hij niet full time wilde werken? Daar had Theo geen zin in en hij antwoordde: ‘ik heb een beter idee, ik stop ermee’. Einde groothandel en tijd voor het oppakken van de vrije (grafische) kunst, waarin een duidelijke liefde voor taal en humor in taal te ontdekken valt. Ondertussen had hij Maryanne ontmoet met wie hij na drie jaar, in 2008, ging trouwen. In Schoorl, waar Maryanne woonde en Theo zich bij haar voegde was hij al snel actief in de kunstensector en organiseerde hij samen met Maryanne een kunstvierdaagse.

Van Zaandam via Schoorl naar Harlingen

Hoe komt een Zaankanter via de liefde in Schoorl, uiteindelijk in Harlingen terecht? Een prozaïsche verklaring volgt. Hij en Maryanne gingen gewoon regelmatig naar Harlingen omdat ze het een mooi stadje vinden. Een spoortje geschiedenis borrelt omhoog. Theo’s moeder is in de Bildt geboren en aan de Spoorstraat in Harlingen opgegroeid. Dus heeft hij toch ergens onmiskenbare Friese roots. Daarbij, de Waddenzee lokte en de omgeving Bergen/Schoorl was nagenoeg onbetaalbaar voor het aantal meters dat ze zochten. Toen Maryanne op een keertje voorstelde om hun huis in Schoorl te verkopen en in Harlingen te gaan wonen, liet het antwoord zich gemakkelijk raden. Hun huis was binnen zes dagen verkocht en een tijdje bivakkeerden zij in Harlingen op de camping, ondertussen speurend naar een geschikte locatie. Zij stuitten op een prachtig project van HarnsInvest; achttien levensloopbestendige villa’s aan de zuidkant van Harlingen waar Theo zich, uiteraard zou ik bijna zeggen, tot in detail met de bouw heeft bemoeid en Maryanne van de tuin een paradijsje heeft gemaakt.

Hoe is Theo bij Zilt terecht gekomen?

Via bemiddeling van HarnsInvest kwamen Theo en Maryanne in 2018 in afwachting van de oplevering van hun huis, tijdelijk terecht in een huurhuis op het Zuidelijk Bolwerk. Daar liep een Ziltlid, Marianne van der Molen, langs en ontdekte in de voortuin de beelden van Theo en Maryanne. Stoutmoedig belde ze aan, een bosje bloemen in haar hand. Ze wilde graag kennismaken en de rest is geschiedenis. Theo kwam in het bestuur en trok en trekt exposities en excursies. Zoals een trip over de Afsluitdijk, naar Bergen, naar het museum Kranenburgh en naar de kunstenaarskring Kunstenaarscentrum Bergen (KCB) waar hij actief lid is geweest en diverse (solo) tentoonstellingen heeft georganiseerd. Tijdens het tripje gebeurde er iets wat Theo typeert. Nadat de groep op de terugweg een bezoek had gebracht aan de kunsttuin Klein Kremlin in Winkel startte de bus niet meer. De chauffeur raakte lichtelijk in paniek, maar Theo, de rust zelve, vroeg of hij misschien een hamer had? Samen met de chauffeur opende hij de klep en gaf een paar gerichte tikken op de startmotor en ja hoor, de bus pruttelde weer tot leven. Zonder dat de groep het wist, werd de terugreis hervat.

Zilt is voor Theo waardevol door de onderlinge contacten. Hij kenschetst de vereniging als een groep mensen die op elkaar gesteld zijn en omschrijft Zilt als een kunstenaarscontactgroep, geen belangenvereniging zoals zijn vroegere KCB.

Ik vroeg of Theo Zaandam niet mist? Zijn antwoord is er eentje waar niet alleen zijn liefde voor taal en humor in verwerkt is, maar ook Theo kentekent: ‘Mijn motto is niet omkijken want daar krijg je een stijve nek van en je wordt er ook niet wijzer van.’

Theo, bedankt voor het inkijkje in jouw bijzondere leven.
Er valt letterlijk een boek over te schrijven, laat dit een bescheiden synopsis zijn.

Judy Lohman

Scroll naar boven